Toen de mijnen zich bereid verklaarden financieel bij te springen - en dat mocht ook wel, want het aantal patiënten uit mijnwerkersgezinnen was van 1914 tot 1915 gestegen van 81 tot 120 per jaar - wilde het ziekenhuis wel reorganiseren. Dokter de Wever voelde echter niets voor een baan als manager, omdat hij zijn overdrukke praktijk niet in de steek wilde laten, maar ook omdat hij zich niet getalenteerd genoeg vond om het financiële beheer van zo'n uit zijn voegen gegroeide onderneming op zich te nemen.
In juli 1926 werd dokter A.H.J. Hintzen, internist van het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis als zodanig benoemd. Omdat hij nog als reserve-officier van gezondheid in militaire dienst was, kon hij aanvankelijk maar enkele dagen per week in Heerlen zijn. De hem toebedachte taak als coördinerend mijnarts hoefde hij overigens niet waar te maken, omdat de mijnen een eigen medische dienst in het leven riepen onder leiding van A.H. Vossenaar, die later in het ziekenhuis aparte ruimten ter beschikking kreeg.
Inmidddels was het aantal patiënten gestegen tot meer dan 225 per dag. De zusters waren soms langer dan 36 uur in touw met werken, waken en wassen. Voor dat laatste hadden ze de beschikking over één wasmachientje. Dr Hintzen kwam al vrij spoedig tot de slotsom dat er zeker 65 verpleegsters te weinig waren. De Sint Joseph-congrgatie kon er echter uit eigen gelederen niet méér leveren. Daarom opende hij in 1918 een opleidingscursus -de eerste- voor lekenverpleegsters. Hij voerde ook een aantal moderniseringen door zoals tochtdeuren, een huistelefoon en electrische keukeninstallaties. Verder werd onder zijn leiding besloten tot de bouw van een paviljoen van drie verdiepingen, waardoor het beddenbestand steeg tot 360.