De huidige aanpak
Sinds 6 januari 2003 worden nieuwe patiënten niet langer primair gezien door een vaatchirurg maar door een daartoe ‘on the job’ opgeleide verpleegkundige; de zogenaamde Nurse Practitioner Vaatcentrum (NPV). Voorafgaand aan het eerste bezoek aan het vaatcentrum bij de NPV wordt tijdens een telefonisch spreekuur een verdeling tussen “veneuze” (spataderen) en “arteriële” (slagaderen) patiënten gemaakt. Veneuze patiënten worden naar de locatie Brunssum doorgestuurd, arteriële patiënten kunnen op de 3 locaties worden gezien. Om een zelfstandige ‘veneuze poot’ binnen het Vaatcentrum op te kunnen richten en daarmee de wachttijden te bestrijden, werd een Duplex apparaat aangeschaft.
Tijdens de telefonische triage wordt tevens de ‘vaatcentrumgedachte’ aan de patiënt uitgelegd: “nauwelijks wachttijden, weinig ziekenhuisbezoeken, de NPV is altijd bereikbaar (seinnummer bekend bij patiënten) en heeft tijd voor al uw vragen”. Maar ook dat de patiënt bij een bezoek wel langer in het ziekenhuis aanwezig is. De patiënt doorloopt namelijk achtereenvolgens een aantal diagnostische stappen waarvoor in het verleden steeds een nieuw bezoek aan het ziekenhuis noodzakelijk was.
Tevens wordt geïnventariseerd door wie de patiënt is verwezen en in hoeverre reeds aandacht werd geschonken aan de risicofactoren voor atherosclerose door de huisarts of een specialist. Indien hier in het recente verleden geen aandacht aan werd geschonken of deze vraag niet duidelijk door de patiënt kan worden beantwoord komt de patiënt in aanmerking voor de speciaal hiertoe opgerichte preventie poli. Patiënten die voor de preventie poli in aanmerking komen worden verzocht nuchter (eerste 3 patiënten van de dag) op het eerste bezoek te verschijnen.
Na de telefonische triage wordt de patiënt de folder over het Vaatcentrum toegestuurd waarin deze aanpak nogmaals wordt toegelicht. In de folder is ruimte opgenomen voor het noteren van datum en tijdstip van de gemaakte afspraak. In de folder wordt de patiënt verzocht alle gebruikte medicatie te noteren en deze tevens mee te nemen bij het eerste bezoek. De patiënt met PAV wordt in de folder, indien van toepassing, er nogmaals op gewezen dat hij of zij nuchter naar het ziekenhuis moet komen.
Bij het eerste bezoek van de patiënt aan het Vaatcentrum besteedt de NPV aandacht aan de volgende zaken: anamnese (gedetailleerd uitvragen van de klachten), uitgebreide (vasculaire) voorgeschiedenis, reeds bekende risicofactoren en ingestelde behandeling(en), gebruikte medicatie (aan de hand van de thuis reeds opgestelde lijst wordt een exact overzicht opgesteld). Vervolgens verricht de NPV een grondig lichamelijk onderzoek toegespitst op de vaatstatus van de patiënt (bloeddruk bdz., palpatie aorta, palpatie perifere pulsaties, voetinspectie, enkel-arm index etc.).
Met bovenstaande bevindingen kan de NPV vervolgens aan de hand van opgestelde diagnose- en behandelingsprotocollen zelfstandig non-invasieve aanvullende diagnostiek aanvragen. Tevens regelt zij waar nodig een afspraak op de preventie-poli (deze patiënten gaan aansluitend aan het bezoek bij de NPV naar het priklab, zij zijn immers nuchter). Rokers krijgen een verwijzing naar de eveneens in het kader van het Vaatcentrum opgerichte Rook-Stop-Poli.
Na afsluiting van deze intake bij de NPV komt opnieuw de logistieke taak van de NPV om de hoek kijken. De NPV regelt dat bij het tweede bezoek van de patiënt met arterieel vaatlijden drie afspraken worden gerealiseerd: het non-invasief vaatlaboratorium, de preventie poli en een bezoek bij de vaatchirurg (voor de uitslag van het zojuist verrichte vaatonderzoek en het krijgen van een behandelingsvoorstel). De NPV heeft hiertoe de beschikking over zogenaamde ‘Vaatcentrum’ tijdblokken in zowel vaatlaboratorium, preventiepoli als poli vaatchirurgie. Nadat de patiënt de gemaakte afspraken heeft meegekregen gaat de nuchtere patiënt bloed laten prikken en een ECG laten maken. Ook het non-invasief vaatlaboratorium werkt in het kader van het Vaatcentrum volgens protocol: ‘Uit resultaat van oriënterend onderzoek volgt gericht onderzoek’. Voorheen ging de patiënt na een ‘Doppler + tredmill’ terug naar de vaatchirurg. Bleek op de poli vaatchirurgie sprake van aanwijzigen voor centrale pathologie, dan kreeg de patiënt opnieuw een afspraak op het vaatlaboratorium, maar nu voor Duplex-onderzoek. In de huidige opzet volgt dit onderzoek direct volgens protocol op de resultaten van het eerste onderzoek. Dat dit gepaard ging met een logistieke aardverschuiving binnen het vaatlaboratorium spreekt voor zich.
Voor de patiënt met spataderen is een en ander nog eenvoudiger gemaakt. Het intakegesprek, het veneuze vaatonderzoek (Duplex) en het bezoek aan de vaatchirurg vinden op een dagdeel plaats. Nadat de patiënt bij de vaatchirurg is geweest en op basis van het zojuist verrichte Duplex onderzoek een operatie indicatie is gesteld, gaat hij/zij terug naar de NPV. De NPV verricht vervolgens een PPO (pre-operatief onderzoek) en geeft in overleg met de patiënt direct een operatiedatum mee. Opvallend verschijnsel in de huidige opzet, is dat op dit moment de door ons geboden wachttijd vaak korter is dan de door de patiënt gewenste of verwachte wachttijd. Dit brengt problemen met zich mee bij de registratie van wachttijden die wij voorheen niet kenden.