Dat weerhield zuster Andrea er niet van om in blauwe schort en op klompen samen met de andere zusters te wassen en te schrobben, muren te witten, matrassen te herstellen en kilometers gebruikt verband op te rollen. Ook het moederhuis van de zusters verleende alle mogelijke steun. De bejaarden die daar verpleegd werden, hielpen aardappels schillen voor de ziekenhuiskeuken en de novicen sprongen 's nachts in voor de zusters met waakbeurten. De groenten uit de kloostertuin waren eveneens bestemd voor het ziekenhuis. Het salaris van de religieuze verpleegsters bestond uit kost en inwoning.
Het water werd uit een put gezwengeld en het eerste ziekenvervoer ging per fietsbrancard, moeizaam voortgetrapt door de voormalig dorpsbarbier Hubert Dautzenberg. Het inmiddels tot Sint Joseph-Hospitaal omgedoopte plattelandsziekenhuisje bleek na enkele jaren te klein te zijn om de gestadig groeiende toeloop van zieken en gewonden te kunnen opvangen. In 1908 werd begonnen met een flinke uitbreiding, die ruimte opleverde voor 60 tot 80 nieuwe bedden, inclusief een electrische lift voor personenvervoer. Na de verbouwing, op 20 juni 1909, trad dr. Hustinx in vaste dienst als chirurg.