homeover atrium mckwaliteitatrium tvagendalogincontact pers
 
 
Home  → patiënten & bezoekers  → poliklinieken & afdelingen
 

Handboek Parenteralia - Handleiding

Onder het verplegend personeel bestaat een grote behoefte aan gegevens over de bereiding, de toediening, de houdbaarheid, de verenigbaarheid met infuusvloeistoffen en andere injectiepreparaten, de bewaring en de bijwerkingen van parenteralia.

Gegevens van de fabrikant in de bijsluiter zijn vaak incompleet en niet altijd toegankelijk. Daarnaast zijn de gegevens op het etiket door ruimtegebrek vaak onvolledig. Goede informatie leidt tot een betere kwaliteitsborging van de bereiding en toediening van parenterale geneesmiddelen en mogelijk tot minder fouten. 

Dit Handboek Parenteralia tracht in deze behoefte te voorzien door van de in het Atrium MC gebruikte parenteralia een aantal belangrijke gegevens op een rij te zetten. In de vorm van monografieën wordt aangegeven hoe deze parenteralia bereid en toegediend kunnen worden. Bekwaamheidsniveau's voor de verschillende toedieningswijzen en indicatiestellingen voor het gebruik van infuus- en spuitenpompen zijn hierbij opgenomen.

In een aantal monografieën van sterkwerkende geneesmiddelen die met een spuitenpomp moeten of kunnen worden toegediend, wordt verwezen naar het geneesmiddelprotocol spuitenpomp. Indien er een spuitenpomp gebruikt mag of moet worden, volgt het protocol aansluitend aan de monografie. Hierbij is tevens een verdunningstabel opgenomen. 

 

>begin

 

Aanwijzingen voor het bereiden van parenteralia

Controle vooraf

Controleer altijd vooraf:

-     juiste patiënt

-     juiste geneesmiddel

-     juiste tijdstip

-     juiste berekening, hoeveelheid, oplossing

Laat de berekening altijd controleren door een collega. 

 

Bereiden (VTGM)

Bij het oplossen, mengen, verdunnen van geneesmiddelen om deze via een infuus, perfusorpomp of bolusinjectie toe te dienen zijn onderstaande zaken van belang.

  • Gebruik voor het afmeten van de gewenste hoeveelheid de juiste spuit. Het opgetrokken volume moet tenminste 50% zijn van het volume van de spuit. Bijvoorbeeld 5 ml met een spuit van 10 ml. Dus niet met een 50 ml spuit. Uitzondering hierop is de 1 ml spuit van Becton en Dickenson (refnr. 309628) met een schaalverdeling van 0,1 tot 1 ml, met een onderverdeling tot honderdste milliliters.
  • Volume ampullen: als op een ampul staat dat er 1 ml in zit, dan zit er in werkelijkheid tussen de 1,15 – 1,45 ml in. In alle ampullen zit overmaat om de benodigde hoeveelheid te kunnen optrekken. Dit geldt voor alle ampullen volumes (alleen de relatieve overmaat wordt steeds minder). Dus altijd exact afmeten.
  • Raadpleeg het handboek parenteralia.
  • Meng de vloeistoffen goed. Een goede methode is om de infuuszak of spuit tenminste 7 x op de kop te houden en terug, waardoor menging gegarandeerd is. N.B. bij een spuit pas ontluchten na mengen.
  • Bij het verdunnen van eiwitten (zie handboek parenteralia) niet hard schudden bij het mengen, maar rustig zwenken.

Etiketteren

Na het bereiden van het geneesmiddel in spuit, zak of flacon of na aanprikken van een flacon of zak, moet deze voorzien worden van een etiket, waarop vermeld staat: de naam van de patiënt, de naam en hoeveelheid van het geneesmiddel, het gebruikte oplosmiddel, datum en tijdstip van bereiden/aanprikken, paraaf van de verpleegkundige die het geneesmiddel heeft bereid/aangeprikt en de controle paraaf van degene die de bereiding heeft gecontroleerd. 

 

Uiterlijk van het product

Oplossingen voor intraveneus gebruik moeten helder zijn en vrij van deeltjes en/of luchtbellen. Dit moet voor en tijdens toedienen visueel gecontroleerd worden.Uitzonderingen zijn de vetemulsies, zoals o.a. Intralipid®, Vitalipid®, propofol en TPV. Deze emulsies zijn niet helder maar worden wel intraveneus toegediend. Suspensies worden nooit intraveneus toegediend.

 

Slotopmerking

Voor de vigerende protocollen wordt verwezen naar DIS.

-   Voorbehouden handeling: intraveneus medicatie; infuus klaarmaken en overzetten.

-   Voorbehouden handeling: intraveneus medicatie; toedienen via perfusor spuit.

-   Voorbehouden handeling: intraveneus medicatie; rechtstreeks toedienen.

 

 

>begin

 

Generieke naam

Hier wordt de generieke naam van het geneesmiddel vermeld. 

 

>begin

Merknaam

Hier staat de naam vermeld waaronder het geneesmiddelen in het Atrium MC wordt gevoerd.  

 

>begin

Afleveringsvorm

Toedieningsvorm van het geneesmiddel, zoals dit in het Atrium MC wordt gebruikt.Dit kan zijn in oplossing in ampul, flacon, zak of (wegwerp)spuit dan wel in poedervorm in flacon of ampul. De totale hoeveelheid en/of de concentratie van het geneesmiddel in de doseervorm is vermeld. Indien het geneesmiddel in een bepaalde chemische verbinding aanwezig is, wordt dit vermeld. 

 

>begin

F.T.G.

Farmacotherapeutische groep, waartoe het geneesmiddel behoort. Hierbij is zoveel mogelijk de indeling van het Farmacotherapeutisch Kompas aangehouden. 

 

>begin

Oplosmiddel

Indien het geneesmiddel in poedervorm afgeleverd wordt, dient het preparaat eerst in een bepaald oplosmiddel te worden opgelost. In enkele gevallen wordt het oplosmiddel met het geneesmiddel bijgeleverd; dit wordt dan in de monografie aangegeven: "(bijgeleverd)". 

 

>begin

Bereiden

De wijze waarop en de hoeveelheid waarin het geneesmiddel, indien van toepassing, opgelost moet worden. Tevens wordt de eindconcentratie vermeld. 

 

>begin

Toedieningsroute

De wijzen waarop het geneesmiddel kan worden toegediend.Indien het geneesmiddel in oplossing verder moet worden verdund, staat dit vermeld bij de betreffende toedieningswijze, waarbij de benodigde infuusvloeistof is aangegeven. De infuusvloeistoffen die de voorkeur hebben, zijn NaCl 0,9%, glucose 5% en de gebruikelijke combinatie NaCl met glucose, aangeduid als NaCl/glucose.Indien van toepassing is de duur van toediening van de geneesmiddeloplossing vermeld, zo nodig met een maximale toedieningssnelheid. Hierbij is uitgegaan van gebruikelijke doseerhoeveelheden.Voor een aantal geneesmiddelen is een protocol opgenomen voor het bereiden van een oplossing in een spuitenpomp. Bij de toedieningsroute wordt dan verwezen naar het protocol, en kan via de link worden doorgeklikt 

 

>begin

Toedieningscategorie

Aan het geneesmiddel met de daarbij behorende toedieningswijze is een indicatiestelling voor het gebruik van infuus- en spuitenpompen toegekend.  

 

Categorie A

Middelen die met behulp van een injectiespuit rechtstreeks worden toegediend: intraveneus, intramusculair, subcutaan, intra-arterieel, intracardiaal etc. 

 

Categorie B

Middelen die met een handgestuurd infuussysteem, dus zonder pomp, mogen worden toegediend.Indien de situatie het vereist (bijv. volumebeperking, heveleffecten) kan het nodig zijn om middelen uit deze groep toe te dienen door middel van een infuus- of spuitenpomp. 

 

Categorie C

Middelen die met behulp van een volume-gestuurde infuuspomp moeten worden toegediend. 

 

Categorie D

Middelen die uitsluitend door middel van een spuitenpomp moeten worden toegediend, omdat een continue toedieningssnelheid vereist is.Bij de keuze van parenteralia die onder categorie D vallen heeft met name een korte eliminatiehalfwaardetijd (t1/2) en een smalle therapeutische breedte (verschil tussen therapeutische en toxische spiegel) een rol gespeeld. 

 

>begin

Bekwaamheidsniveau

Aan het geneesmiddel met de daarbij behorende toedieningswijze is een bekwaamheidsniveau toegekend.De verpleegkundige die in opdracht een voorbehouden handeling uitvoert dient hiervoor bevoegd en bekwaam te zijn. Bevoegdheid wordt verkregen met de algemene verpleegkundige opleiding en de vervolgopleiding; bekwaamheid wordt verkregen door oefening en ervaring (soms ook op specialistische gebieden). De verpleegkundige dient zichzelf bekwaam te achten, ook al wordt er formeel overeenkomstig de "aanwijzingen" van de opdrachtgever gehandeld. Dit Handboek levert een bijdrage aan deze "aanwijzingen". Bij het toedienen van geneesmiddelen kan onderscheid worden gemaakt in de ernst en de grootte van het risico op complicaties en daarmee in de bekwaamheid die de toediener moet hebben om deze complicaties te onderkennen en te verhelpen.De geneesmiddelen zijn onderverdeeld in 3 bekwaamheidsniveau's: 2, 3 en 4.

 

Niveau 1

Iedere verpleegkundige die de opleiding heeft afgerond, wordt geacht bekwaamheidsniveau 1 te hebben.  

 

Niveau 2

Voor het toedienen van geneesmiddelen van niveau 2 is de algemene verpleegkundige opleiding en ervaring in het toedienen van injecties en infusen voldoende om het noodzakelijke bekwaamheidsniveau te bereiken. 

 

Niveau 3

Voor niveau 3 is de deskundigheid van een vervolgopleiding met daarbij voldoende oefening en ervaring op meestal specialistische afdelingen nodig om het noodzakelijke bekwaamheidsniveau te bereiken.Zoals opleiding en daarmee deskundigheid kan verouderen, kan ook de bekwaamheid verminderen door onvoldoende oefening of gebrek aan (specialistische) ervaring. Voor beide niveaus geldt dat het onderhouden van de bekwaamheid door oefening en studie een noodzaak is om bekwaam te blijven. 

 

Niveau 4

Geneesmiddelen met het bekwaamheidsniveau 4 dienen naar de mening van de commissie uitsluitend door zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaren (bijvoorbeeld de arts) te worden toegediend.  

 

>begin

Houdbaarheid

Er wordt in dit Handboek uitgegaan van de microbiologische houdbaarheid, tenzij deze korter is dan de chemische houdbaarheid. De maximale houdbaarheid voor het op de afdelingen bereide geneesmiddel wordt in onverdunde en/of verdunde vorm vermeld. Tevens wordt de bewaartemperatuur vermeld. 20°C komt overeen met kamertemperatuur, 4°C met koelkast. Indien er onder "Code voor toedienen" alleen categorie A staat vermeld, wordt er van uitgegaan dat de injectiespuit direct voor toedienen wordt bereid. Bij het item "Houdbaarheid" wordt dan verwezen naar de houdbaarheid van de flacon of ampul door middel van "Zie vermelde datum en temperatuur op de verpakking". 

 

>begin

Infuusvloeistoffen

De hier vermelde infuusvloeistoffen kunnen gebruikt worden voor het verdunnen en toedienen van het geneesmiddel. 

 

>begin

Onverenigbaar met en Verenigbaar met

Bij voorkeur worden geneesmiddelen niet door één lijn toegediend.

In veel gevallen kan het echter noodzakelijk zijn meerdere geneesmiddelen via een Y-site op één lijn, of samengevoegd in één compartiment (infuuszak of spuit) toe te dienen. Van belang hierbij is of de te combineren geneesmiddelen fysisch en chemisch verenigbaar zijn.

Over de verenigbaarheden van geneesmiddelen is relatief weinig bekend en in het geval dat er onderzoek gedaan is, heeft men te maken met specifieke omstandigheden (o.a. bepaalde concentraties, infuusvloeistoffen, toedieningssystemen en temperatuur). Onder verschillende omstandigheden kan een combinatie van geneesmiddelen zich anders gedragen.

Toch is er geprobeerd een algemene uitspraak te doen over een aantal te combineren geneesmiddelen, waarbij is uitgegaan van de gebruikelijke concentraties voor toedienen, zoals vermeld onder "Toedienen".

 

Er is hierbij onderscheid gemaakt tussen (on)verenigbaarheden via Y-site enerzijds (aangeduid als "Y-site":) en één compartiment anderzijds (aangeduid als "Infuus:"). Er is geen verschil gemaakt tussen (on)verenigbaarheden in een spuit dan wel een infuus.

 

Indien er geen toedieningssysteem (Y-site of infuus) vermeld wordt, geldt de (on)verenigbaarheid voor toedieningen zowel via Y-site als via één compartiment.

Hierbij is redelijkerwijs aangenomen dat verenigbaarheden via een infuus ook gelden voor toediening via Y-site, en dat onverenigbaarheden bij toediening via Y-site ook gelden voor een infuus, terwijl dit omgekeerd niet zo is.

Over de stabiliteit van mengsels van meer dan twee geneesmiddelen op één lijn of in één compartiment wordt geen uitspraak gedaan.

 

Het toedienen van combinaties van geneesmiddelen met bloedproducten en TPV is niet toegestaan.

 

Indien de beoogde combinatie van geneesmiddelen niet vermeld wordt en het wel wenselijk is deze geneesmiddelen te combineren, wordt aangeraden een ziekenhuisapotheker te raadplegen.

Het is altijd de verantwoordelijkheid van degene die toedient om te controleren of geneesmiddelen of mengsels van geneesmiddelen in één toedieningslijn of in één compartiment zich gedragen zoals vereist wordt (heldere oplossing, vrij van deeltjes). Dit is echter nog geen garantie voor een eventuele ontleding van één of beide geneesmiddelen.

Farmacologische interacties tussen geneesmiddelen zijn hier buiten beschouwing gelaten. 

 

>begin

Bijzonderheden

Algemene opmerkingen die van belang kunnen zijn bij het bereiden of toedienen van het geneesmiddel. Bijvoorbeeld aanwezigheid van hulpstoffen, hoeveelheid natrium of kalium, pH van de oplossing. 

 

>begin

Acute reacties

De hier vermelde reacties kunnen tijdens of direct na de toediening van het geneesmiddel optreden, en zijn dus voor de verpleegkundige die het geneesmiddel toedient van groot belang. 

 

>begin

Bijwerkingen

Bijwerkingen van geneesmiddelen kunnen tijdens gebruik en ook op langere termijn optreden en zijn relatief onafhankelijk van de toedieningswijze. De belangrijkste bijwerkingen zijn hier vermeld. 

 

>begin

   
 
 
home  |  
print  |  
PDF  |