Heerlen was nog een dorp in die dagen. Een landelijk marktplaatsje voor een agrarisch achterland, dat voornamelijk georiënteerd was op Aken en Maastricht. In dat gebied praktijkte Frans de Wever. Zijn standplaats was Heerlen, waar hij zich in 1896 als pas afgestudeerde arts had gevestigd op aandringen van de toenmalige burgemeester en dorpsapotheker van Heerlen, Charles de Hesselle. Dat was een collega van Frans' vader, die apotheker was in Nuth.
Frans was 27 toen hij zijn praktijk opende en hij zat al spoedig tot aan zijn oren in het werk, want zijn patiënten woonden zó verspreid, dat hij vaak meer tijd kwijt was met reizen dan met behandelen. Hij was dag en nacht intouw. Overdag trok hij er per sjees op uit en 's nachts te paard. Omdat er veel te weinig vroedvrouwen waren, moest hij ook vaak bevallingen doen; in één nacht zelfs in drie verschillende gemeenten. Hij raasde op z'n knol naar een kraamvrouw in Heerlen, galoppeerde door naar Simpelveld en draafde vervolgens naar Brunssum.
Mijnarts
Na een jaar kwam de Oranje Nassaumijn in exploitatie en kreeg Frans de Wever er de taak van mijnarts bij, met als gevolg dat alle ongevalspatiënten van de mijn rechtstreeks op zijn huisadres afgeleverd werden. Als het erg druk was, opereerde hij de 'koempels' zelfs op de keukentafel. Daarnaast was hij nog gemeente-arts van Heerlen en de officiële spoorarts van de toen pas in gebruik genomen spoorlijn Sittard-Herzogenrath.
Ongevallen
Het aantal ongevallen bij de mijn en bij de spoorwegen begon van jaar tot jaar toe te nemen. Voor ernstige operaties moesten de patiënten met paard en wagen over de hobbelige steenweg naar Maastricht vervoerd worden, want daar lag het enige ziekenhuis van Zuid-Limburg: Calvariënberg. Rond de eeuwwisseling werd de frequentie van die ritten zó hoog dat het De Wever duidelijk werd dat een ziekenhuis in de onmiddelijke nabijheid dringend noodzakelijk was. Maar hoe regelde je zoiets als eenvoudige dorpsarts in die dagen?