De nieuwbouw was gedeeltelijk gefinancierd door de mijnen, die een subsidie van 3600 gulden hadden gegeven. De mijnen zouden nog meer gaan bijspringen -en ook het Rijk- nadat de toenmalige hoofdingenieur der mijnen, C. Blankevoort, de minister schriftelijk had laten weten dat het ziekenhuis erop berekend moest zijn dat met de uitbreiding van de mijnindustrie ook een toename van het aantal mijnongevallen moest worden verwacht. Mogelijk zelfs een ramp 'waardoor meerdere personen tegelijkertijd worden getroffen, in welk geval de gewonden eveneens in het ziekenhuis dienen te kunnen worden opgenomen'.
In 1912 verbond het rijk aan zijn subsidiëring de voorwaarde dat er 'éen inwonend assistent van den chirurg' moest komen, die tevens het laboratoriumwerk voor zijn rekening diende te nemen. Bovendien zou het ziekenhuis een inrichting moeten krijgen voor 'Zander'-behandeling (een voorloper van de huidige revalidatie-afdeling). Dit met het oog op de ongevalspatiënten van de mijnen, die na een operatie hun verslapte spieren en verstijfde gewrichten weer op gang gebracht moesten krijgen.
Aan de eerste voorwaarde werd voldaan door de komst van dokter J. van Leent, een specialist voor neus-, oor- en ooglijders. Door gebrek aan geld kon het Zanderinstituut voorlopig niet gerealiseerd worden.