Om de hand in de ruimte te kunnen verplaatsen is het belangrijk zowel schouder als elleboog te kunnen bewegen. Wanneer je de arm voor je in de ruimte wil verplaatsen, is buigen van de elleboog belangrijker dan strekken. Voor het strekken kan in deze situatie immers de zwaartekracht gebruikt worden. Een van de methoden om een verbeterde flexie van de elleboog te verkrijgen is de flexor pronator plastiek volgens Steindler:
Videovoorbeeld
Bij deze procedure worden de onderarmsbuigers voor een betere flexie van de elleboog gebruikt. De onderarmsbuigers lopen alle richting epicondylus medialis. Bij de operatie wordt de epicondylus medialis met de daaraan vastzittende spieren losgemaakt en meer dan 5 cm boven het ellebooggewricht op de bovenarm geplaatst en gefixeerd d.m.v. een schroefje. Nu kan d.m.v. aanspannen van de onderarm-spieren de elleboog gebogen worden. Naarmate de spieren hoger op de bovenarm zijn bevestigd, des te meer zal de elleboog kunnen buigen.
Voorwaarde om d.m.v. Steindler-operatie de elleboog goed te kunnen buigen is dat behalve goede onderarm-spieren ook een stabiele pols aanwezig is. Zou tijdens aanspannen van de onderarm-spieren de pols buigen, dan geeft dit automatisch een sterk verminderde buiging in de elleboog. Om de pols niet te doen buigen, zijn goede strekkers van de pols nodig. Zijn deze niet aanwezig, dan zal voor een eventuele Steindler-operatie een stabiliserende operatie in de pols moeten gebeuren. Dit gebeurt meestal d.m.v. een spiertranspositie van een polsbuiger naar de polsstrekker.
De leeftijd waarop de operatie plaatsvindt is vanaf het 2e levensjaar. De reden is dat eventueel herstel van de biceps dan voldoende tijd heeft gehad. Verder bestaat er een operatie-technische reden in verband met bloedleegte. Postoperatief wordt 5 - 6 weken gips gegeven rond onderarm en bovenarm. De pols wordt mede ingegipst. Na verwijdering van het gips mag gelijk met actieve oefeningen begonnen worden, zowel flexie als extensie.
Acht weken na operatie mag al begonnen worden met passieve extensie-oefeningen om het extensiedeficit van de elleboog te verminderen. Tevens mag vanaf dit moment flexie tegen weerstand worden gegeven.
Het te verwachten resultaat is afhankelijk van de pré-operatieve voorwaarden. Is er goede polsstabiliteit en zijn er krachtige onderarm-spieren, dan mag verwacht worden dat de hand bij flexie van de elleboog naar de mond kan worden gebracht. Zijn de pré-operatieve voorwaarden echter minder, dan zal het resultaat ook minder worden.
Het nadeel van de operatie is dat de elleboog niet volledig gestrekt kan worden. Het is normaal dat er een extensiedeficit van 30 graden bestaat. Het feit dat de elleboog niet geheel gestrekt kan worden geeft geen tot weinig functionele problemen. Wel lijkt de arm in gebogen toestand wat korter. Wanneer een Steindler-operatie niet kan worden uitgevoerd, zijn er alternatieve spiertransposities, die uitgevoerd kunnen worden in een poging om actieve elleboogbuiging te bewerkstelligen:
- Latissimus dorsi transpositie: deze operatie is uitgebreider, maar geeft over het algemeen wel een krachtiger buiging van de elleboog.
- Musculus pectoralis major transpositie: het resultaat hiervan is wat onbetrouwbaar.
- Musculus triceps transpositie: deze spier wordt alleen gebruikt wanneer de andere spieren niet gebruikt kunnen worden. Per slot van rekening offer je hierbij het strekken van de elleboog op ten gunste van de buiging.